Antwoord:
Beste vraagsteller, De algemene verjaringstermijn wordt geregeld in Boek 3 van het BW. Met betrekking tot deze algemene verjaringstermijn kent het BW twee eisen. Terugvordering is mogelijk zolang aan beide eisen tegelijk wordt voldaan. De eerste eis is dat niet meer dan 20 jaar mag zijn verstreken na het ontstaan van de vordering (artikel 3:306 BW).
Voor wat betreft de terugvordering van teveel of ten onrechte verleende bijstand dient naar ons oordeel ervan te worden uitgegaan dat per de eerste dag van een herzienings- of intrekkingsperiode een vordering 'ontstaat' in de zin van artikel 3:306 BW. De tweede eis is dat niet meer dan 5 jaar mag zijn verstreken na de dag waarop het college op de hoogte is van het bestaan van zowel de vordering als met de persoon van de schuldenaar (artikel 3:309 BW). Aansluiting zoekend bij dit artikel is de CRvB van oordeel dat de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot een onverschuldigde betaling van bijstandsuitkering aanvangt op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt (zie CRvB 08-07-2008, nr. 07/3645 WWB). Indien een onderzoek door de sociale recherche in een terugvordering resulteert, dient aangenomen te worden dat het college op de datum, waarop het onderzoek van de sociale recherche is afgesloten, bekend is geworden met het bestaan van de vordering. Om verjaring van de vordering te voorkomen dient het college binnen 5 jaar na die datum een terugvorderingsbesluit te nemen (zie CRvB 14-07-2009, nr. 08/4827 WWB). Een vermoeden van het bestaan van een terugvorderingsgrond is echter niet van invloed op deze verjaringstermijn. Deze begint dus pas te lopen op het tijdstip dat het college daar daadwerkelijk weet van heeft (zie CRvB 10-06-2008, nrs 06/6772 WWB e.a.).
Verjaring van de terugvordering kan worden gestuit door een schriftelijke en ondubbelzinnige mededeling dat zal worden teruggevorderd. Doorgaans zal deze mededeling vervat zijn in het herzieningsbesluit of in het intrekkingsbesluit. Latere vernietiging van een besluit waarbij belanghebbende de bedoelde mededeling is gedaan, heeft geen gevolgen voor het stuiten van de verjaring. Vernietiging van een dergelijk besluit brengt immers niet met zich dat belanghebbende daardoor die mededeling niet is gedaan. Met vriendelijke groet, Legal2People |